College van de Rechten van de Mens en dyslexie

College van de Rechten van de Mens en dyslexie

College van de Rechten van de Mens en dyslexie  –  29 maart 2015   

Ophokplicht voor een slim bèta kind met zware dyslexie; zes uur per week verplicht in een klas waar je ten gevolge van je beperking het vak niet kan leren, of omdat een andere aanpak nodig is, maar die wordt alleen buiten de verplichte lesuren gegeven.

Het gaat hier om kinderen, veelal met een niet zichtbare beperking, waar de lat blijvend te hoog wordt gelegd in het onderwijs, hetgeen tot gevolg heeft dat deze kinderen zich niet naar behoren kunnen ontwikkelen; dat is achterstelling en discriminatie.

Met deze uitspraak van het College van de Rechten van de Mens staat vast dat het een fabel is, dat we uitgaan van de talenten van kinderen in plaats van hun beperkingen. Omdat flexibiliteit in het onderwijsprogramma ontbreekt moet een leerling deelnemen aan alle vakken, ook al staat zijn beperking een kans op succes in de weg. Zo wordt deze leerling met een beperking gedwongen om een te groot deel van zijn schooltijd te investeren in vakken die hij niet aankan. Er rest dan maar weinig tijd en energie voor de ontwikkeling van zijn talenten. Door aldus te oordelen gaat het College van de Rechten van de Mens volledig voorbij aan de belangen van het kind. Immers een leerling met een beperking zal met frustratie zijn schoolloopbaan doorlopen omdat hij wordt verplicht om zich het merendeel van de tijd te richten op vakken waar hij slecht in is; dit kan blijvend nadelige gevolgen hebben voor zijn motivatie en zelfbeeld.

Het onderwijsstelsel doet voorkomen, mede na de invoering van passend onderwijs, dat er sprake is van gelijke kansen voor ieder kind. Helaas leert de praktijk dat er enkel ruimte is voor kansen binnen bestaande structuren dus binnen de rigide regels van een zeer verouderd onderwijsstelsel. Dit betekent dat een kind met een beperking enerzijds te horen krijgen dat ook hij de eindstreep kan halen en anderzijds omwille van zinloze regelgeving met regelmaat door de overheid en schoolbesturen kopje onder wordt geduwd. Dit is kindermishandeling.

Het is niet duidelijk hoe de kwaliteit en onafhankelijkheid van de adviezen van het College van de Rechten van de Mens kan worden gewaarborgd als het gerechtelijke college zich voor juridisch advies over het onderwijsrecht ook nog wendt tot de minister van OCW. Dit terwijl bovendien in het conflict tussen ouders en school het standpunt van de Inspectie van Onderwijs, onder verantwoordelijkheid van de minister, een bepalende rol speelt. Dit met name gezien de bijzondere positie van het onderwijs in de Grondwet. Immers is in artikel 23 van de Grondwet bepaald dat het niet de overheid is, als uitvoerende macht, maar in beginsel alleen de wetgever die de vrijheid van onderwijs van schoolbesturen kan beperken en dan nog alleen bij formele wet.

Ouders kunnen niet anders dan constateren dat de schoolbesturen als beheerders van de vrijheid van onderwijs, die in beginsel ouders toekomt, die onderwijsvrijheid onvoldoende beschermen. Immers de vrijheid van onderwijs behoort ouders toe in het kader van hun vrijheid van opvoeding. (Artikel 2 EP EVRM). Omdat schoolbesturen zich voegen naar de overheid en voorbij gaan aan de wensen van ouders waar het gaat om de inrichting van het onderwijs, in het belang van hun kinderen, komt de Grondwettelijke vrijheid van onderwijs onder druk te staan. Ten gevolge daarvan zijn ouders niet in staat om naar behoren op te komen voor de rechten van hun kinderen. Dit klemt des te meer nu het in ons land met de implementatie van de kinderrechten, zeker waar het gaat om een kind met een beperking, slecht gesteld is (Kinderrechtenverdrag).

De uitspraak van het College van de Rechten van de Mens is dan ook een gemiste kans. De bestaande praktijk zal voortduren dat de kansen van deze kinderen afhankelijk zijn van scholen met lef, die zich niet de wet laten voorschrijven omdat zij weten dat het niet om regels gaat maar om Kinderrechten. Het wrange is dat binnen hetzelfde samenwerkingsverband bij de ene school deze rechtszaak nodig is om aanpassingen te krijgen voor dit kind terwijl bij een andere school in hetzelfde gebied deze aanpassingen al lang worden geëffectueerd. Het gaat dus niet alleen om de inflexibiliteit van schoolbesturen maar ook om willekeur tussen scholen die elkaar daar blijkbaar niet op aan durven spreken.

 

30 maart 2015, Katinka Slump, onderwijsjurist, lid van de Raad van Advies van de Cooperatie Ouderkracht voor ’t kind, een coöperatie van ouders voor ouders. Zie www.ouderkrachtvoortkind.nl

Naar de uitspraak: http://www.mensenrechten.nl/publicaties/oordelen/2015-27/detail

 

Submit a Comment