Het woord van het kind gaat via de ouders!

Het woord van het kind gaat via de ouders!

(door Janine Scherpenberg, moeder van een thuiszitter in Almere)

Op donderdag 26 mei ben ik als moeder naar de presentatie van het verslag over het onderzoek naar de betekenis van het recht op onderwijs, thuiszitters en Roma kinderen. Ik wilde graag weten wat daar uit kwam natuurlijk. Eindelijk een onderzoek naar het recht op onderwijs. Het onderzoek wordt leesbaar en duidelijk beschreven in een mooi opgemaakt boekje. Dank aan Marieke Hopman voor het onder de aandacht brengen van thuiszitters in Nederland.

Tijdens de presentatie merkte ik dat ik me regelmatig getriggerd voelde. De problematiek van thuiszitters is nogal divers en vaak per geval op zich al complex te noemen. Ik hoor van veel ouders de verhalen. Geen enkel verhaal is hetzelfde en geen enkel verhaal is te beantwoorden met één oplossing. Ook de kinderen staan er heel divers in. Het lijkt in mijn ogen wat simplistisch om alle situaties in één onderzoek op te nemen om zo tot één beeld en conclusie te komen. 51 mensen zijn geïnterviewd. Daaronder kinderen en volwassenen met soms dubbele rollen. Hoeveel kinderen tussen 4 en 25 zijn geïnterviewd is me niet heel duidelijk. Door de verschillende rollen kan een respondent dubbel worden geteld.

Ik denk dan even aan mijn eigen dochter (thuiszitter): zij zou kunnen spreken vanuit regulier onderwijs, speciaal onderwijs, geen onderwijs en, psychische beperking en thuisonderwijs (afstandsonderwijs in ons geval) en thuiszitters…. denk ik. Als ik dan haar overspannen toestand van het begin meetel ook de fysieke beperking. Mijn dochter wilde niet een gesprek. Of kon niet meewerken. Zij spreekt niet en blokkeert bij vreemden. Bovendien is het onderwerp ‘school’ al onbespreekbaar. Kinderen met een trauma hebben vaak moeite om over het onderwerp te spreken. En zij heeft een trauma.

51 mensen voor deze diepte interviews. Maar de groep is zo divers dat het me niet logisch lijkt om hier conclusies voor alle thuiszitters uit te trekken. Van die (zeg) 20 kinderen is al een deel Roma, volgt vrijwillig thuisonderwijs of vanuit een niet vrije keuze.

Wat betekent recht op onderwijs voor kinderen in Nederland?

Ik ben zo’n ‘simpele’ conflictmoeder, die toch redelijk in staat is geweest om dát voor elkaar te krijgen wat haar door al die partijen bemoeilijkt werd. Zonder mijn ‘houding’ had mijn kind nu geen onderwijs. Zo zijn er heel veel ouders. Ik lees dat nergens terug in onderzoek. Ik lees ook niet hoe zij 5 jaar leerachterstand in de school opliep en daar een sociale angst en trauma kon ontwikkelen. Hoe kan dat?  Ik zal hier mijn triggers eens kort opschrijven.

  1. kinderen worden door NIEMAND gehoord.

Ouders zijn de spreekbuis van het kind. Wanneer gesteld wordt dat ‘niemand’ naar het kind luistert ben ik het daar mee eens. Als ik mijn rol als moeder dan in een schema zie als ‘partij’ gaan mijn haren overeind. Op de dag dat mijn kind riep niet meer te willen leven als ze nog langer naar school moest gaan, heb ik haar beloofd dat zij nu wel gehoord zou gaan worden, dan wel via mij. Lang genoeg heeft zij dat gepoogd. Zonder iets te kunnen zeggen. Professionals die met kinderen werken weten allemaal dat communicatie ook zonder woorden kan. Met alleen gedrag al geeft een kind aan wat het nodig heeft. Als mijn jongste dochter heel boos kijkt in de klas weet ik als moeder dat ze in principe verdrietig is of misschien wel angstig voor straf en het verkeerd doen. Zij zal dat nooit zeggen. Ze wordt als bot gezien. Ik ken haar al vanaf -9 maanden. Maar als ik dat namens haar wil uitleggen wordt dat niet gehoord. Het kind moet zich aanpassen en dat gedrag weglaten of veranderen. Ook in de presentatie van Marieke Hopman wordt dat weer stellig meegedeeld. We hebben een maatschappij en je moet je nu eenmaal aanpassen. Wat als een kind (in stilte) roept dat maar niet te kunnen? Die maatschappij werpt het kind eruit. In mijn boek ‘thuis is Daphne Daphne’ geef ik al aan dat ik heb gezien dat er dan die zogenaamde ‘parallelmaatschappij’ wordt gemaakt. Zogenaamd gaat je kind mee. Maar het telt niet. Waarom zouden kinderen anders afgewezen worden? Het mag niet in een reguliere school. Niet op een gewone sportclub. Zelfs deelname aan een SoVa-training van de gemeente is een belasting voor de ‘andere’ kinderen. Marieke is nog jong en weet niet dat kinderen met een zorgbehoefte door die maatschappij, waar ze heus in willen, worden geweerd. Ik zat naast mijn dochter toen zij aangaf het leven niet meer aan te kunnen. Aanpassen lukte niet. Zij heeft eigenlijk ook geen kans gehad. Alles wat ik als moeder (namens haar) heb gevraagd…… al die jaren…. is opzij geschoven. In verslagen lees je precies wanneer ik als moeder namens het kind vroeg om interventie. Daar staat: ‘volgens moeder…’ of ‘moeder vindt….’ wat je moet lezen als: “dat niet serieus nemen graag” waarmee het woord van het kind werd genegeerd. Ook bij mijn zoon werd mijn vraag om interventie, de vraag die ik uiteindelijk voor hem moest neerleggen, genegeerd. Ik werd als moeder keihard aangepakt door die vertegenwoordigers van de maatschappij. Daarmee mijn kind. Hij mag dagelijks naar een andere gemeente om het onderwijs te volgen en om zijn sociale ontwikkeling in een positieve lijn om te buigen. Dat komt omdat deze moeder heel hard moet schreeuwen (tot ordinair aan toe) om dát voor elkaar te krijgen, wat het kind nodig heeft .

Het woord van het kind, gaat via de ouders. Dat is al vanaf het moment dat het kind in de buik zit.

  1. Gewenste antwoorden en veel vrienden willen

Als je bij thuiszitters onderzoekt of ze ‘veel’ vriendjes hebben is dat interessant als er uit komt dat die kinderen aangeven meer vrienden te willen. Echter, ik weet bijna zeker dat wanneer je in een steekproef onder schoolgaande kinderen dit onderzoekt, je een gelijk antwoord kan verwachten. Hoeveel schoolgaande kinderen zouden ‘veel’ vrienden willen? Dat heeft wat mij betreft dus geen waarde, niet in die zin dat het iets over thuis onderwijs zegt. Als kindertherapeut (want dat ben ik ook, naast moeder) heb ik best veel schoolgaande kinderen in de praktijk gehad die graag vrienden wilden op school. Zij voelden zich dan eenzaam of buiten gesloten. Of zij kregen het gevoel niet leuk te zijn. Of het contact maken lukte gewoonweg niet. Eenzame kinderen zijn er dus ook op school. En dat wordt dan 5 dagen in de week gevoeld. Waarom wordt in het rapport nu gesteld alsof dat alleen bij kinderen met thuisonderwijs speelt?

 

Op de achterzijde van het boekje:

“Skye (10, regulier onderwijs): “Als je op school bent dan voel ik me daar ook heel gelukkig omdat ik daar heel veel vrienden om me heen heb, waarmee ik kan spelen […] en als je je alleen voelt en je bent op school, dan voel je je eigenlijk helemaal niet meer alleen omdat er zoveel kinderen om je heen zijn”.

Je zou je ook hier af kunnen vragen hoe gewenst het antwoord is. Willen wij als volwassenen dit van kinderen horen? Op school is het leuk, daar zijn vrienden.  De school als absoluut enige plek om zich sociaal te kunnen ontwikkelen. Ideaal.

Als ik dit aan mijn dochter met sociale angst/selectief mutisme of aan mijn op school gepeste zoon zou vragen zou het antwoord klinken:

“Als ik op school ben, dan voel ik me daar ook heel ongelukkig omdat ik daar geen vrienden om mij heen heb. De kinderen gaan wel met elkaar om, maar niet met mij. Als ik daar dan zo alleen ben tussen zoveel kinderen voel ik me eenzamer dan waar ook.”

En als ik dit als ouder op een school aangeef, wordt dat genoteerd als: ‘moeder zegt….’ en de notitie wordt (als je een beetje geluk hebt) in het dossier gelegd om er niets mee te doen. Moet het kind het werkelijk zelf zeggen? Of mogen ouders vertegenwoordiger van het kind zijn?

Om met kinderen goed in gesprek te gaan en de antwoorden te interpreteren is er kennis van de psyche achter het woord en gedrag te hebben. Wat betekent dat? ‘veel vrienden hebben’ en …. is dat niet een beetje een opgelegde norm: veel vrienden = sociaal geaccepteerd zijn? Wat is er mis met minder vrienden? Verder is er de vraag of er rekening wordt gehouden met het trauma van een kind met een dergelijke boodschap. Kan een kind wat jarenlang is afgewezen door andere kinderen en door scholen zich nog wel als geaccepteerd voelen? Zal het niet altijd hunkeren naar meer vrienden om bevestiging op zichzelf te krijgen?  Hoe weet de onderzoeker hoe autonoom een antwoord van het kind is? Wat zou zij er van vinden als een kind van 16 aangeeft geen enkele behoefte te hebben aan vrienden? Hoe zou ze dat interpreteren? Het is een idee om dat aan de ouders te vragen. Heus, er is vaak sprake van een behoorlijke historie aan een dergelijke uitspraak.

Het woord van het kind, gaat via de ouders. Dat is al vanaf het moment dat het kind in de buik zit.

  1. Sociale ontwikkeling

Op school ontwikkelt een kind zich op sociaal gebied. Marieke Hopman geeft aan dat leren rekenen en spelen en de sociale ontwikkeling onlosmakelijk zijn. Die sociale ontwikkeling wordt als een sterk punt van het schoolbezoek gezien. Daar wordt niet verder diep op ingegaan terwijl deze stelling wel heel bepalend is voor de conclusie. Want ouders die hun kind ‘thuis houden’ ontnemen dus die sociale ontwikkeling van hun kind.

Het recht op onderwijs voor (w)elk kind zou beantwoord moeten worden met telkens weer de kijk op het individuele kind. Kinderen die gepest worden vallen nogal eens uit. Kinderen kunnen door een eigenschap zeer ernstig belemmerd worden in de sociale ontwikkeling op een school. Hier is misschien gelijk de vraag: hoe ziet de sociale omgeving er dan uit voor het kind op een school? Kan dat…. 30 leeftijdsgenoten in een ruimte met één volwassen begeleider? Kinderen die ‘het’ nog moeten leren? Ik zie in het rapport niet iets terug over dit item. Ik weet dat mijn kinderen vaak wat verbaasd zijn over pestgedrag van kinderen, dat zij het naar vinden dat andere kinderen niet hun beurt afwachten, dat andere kinderen door de klas roepen en dat ze het lastig vinden dat kinderen niet serieus meedoen in de les. Mijn kinderen worden als sociaal zwak gezien. ‘Ze volgen de cursusjes en de workshops’ zal ik maar zeggen. En het was de leerkracht die aangaf dat mijn ‘niet pratende kind’ een last voor de kinderen in projectgroepjes was op school. Hoe ontwikkelt mijn kind zich op school dan sociaal? Lees toch nog even mijn boek ‘thuis is Daphne Daphne’. Of mijn blogs over mijn kind die niet op een andere school mocht nadat hij het niet meer volhield. Op school zijn we niet heel aardig als verondersteld wordt. Het kan er als onveilig voelen als al die andere kinderen zich nog sociaal moeten ontwikkelen terwijl je daar zelf al alles van snapt. Dat maakt een kind zelfs angstig. Het enige wat nog te leren is, is mondig worden. Maar dat wordt dan weer niet gewaardeerd als ouders dat zijn voor hun kind. Dat sociale aspect is best een lastige.

Het woord van het kind, gaat via de ouders. Dat is al vanaf het moment dat het kind in de buik zit.

4 ouders als partij

Verder wekt het bij mij persoonlijk irritatie dat ouders als een van de partijen worden gezien, los van het kind. Er zullen uitzonderingen zijn, maar de meeste ouders praten voor hun kind en zij vertegenwoordigen de kinderen. Het enige belang is de positieve ontwikkeling die voortgezet wordt. Wat zou het belang zijn van de leerkracht? Van de directeur van de school. Welk beleid volgt de Leerplichtambtenaar en die wethouder onderwijs? Wat is goed voor diens reputatie?  Door te luisteren naar ouders, luister je naar de behoefte van het kind. Professionals zouden een vertaalslag moeten kunnen maken naar de oplossing die er dan geboden wordt. Door ouders als partij los van het kind te zien alsof zij andere belangen hebben, wordt het kind niet gezien. Wat is het idee als gezegd wordt dat ‘kinderen gehoord moeten worden’. Moet iemand anders mijn kind gaan uithoren om te weten welke behoefte het heeft? Dat geeft mij als moeder, de kriebels. Die rol is aan de ouders en zij zien en horen hun kind dag in dag uit. Niet een uurtje. Zij zijn de vertegenwoordigers van het kind. Zij zoeken afstemming en vinden tegenwerking omdat zij als partij worden gezien in een conflict. Een advies zou zijn om ouders te zien als vertegenwoordiger van het kind en niet als ‘partij’. Het zijn de ouders die zich bezighouden met de ontwikkeling van hun kind. Niet alleen op gebied van onderwijs. Ook sociale ontwikkeling, lichamelijke ontwikkeling. Alle ontwikkeling dus. Zij worden geacht een veilige plaats daarvoor te vinden en dat wordt nogal eens belemmerd.

Een onderzoek zou zich daarop kunnen richten: waar worden ouders belemmerd in hun taak om te zorgen voor een positieve ontwikkeling? Of: hoe wordt het naleven van het recht op een positieve ontwikkeling belemmerd?

Het woord van het kind, gaat via de ouders. Dat is al vanaf het moment dat het kind in de buik zit.

Los van het boekje

De taak van ouders lijkt nog verder belemmerd te gaan worden met ideetjes over ‘leerplicht’. In de presentatie wordt gesproken over leerplicht vanaf 4 jaar. Dat omdat bij Roma kinderen (en andere groepen) wordt geconstateerd dat ouders soms niet goed voor hun kind zorgen. De taalontwikkeling bijvoorbeeld blijft achter. Daarom zouden ALLE kinderen naar een school moeten vanaf hun vierde. Een ander geeft zelfs aan leerplicht vanaf 0 jaar te wensen. O Brave new world! Voorbij wordt gegaan aan de verdere ontwikkeling zoals de hechting. Er wordt gesproken over ‘leren’. Ik begrijp dat er kinderen zijn met ouders die thuis niet voldoende de taal kunnen stimuleren. Het sociale ook niet. Maar dat betekent toch niet dat gelijk ALLE kinderen vanaf 4 (of 0) jaar naar een school of soort gelijk instantie moeten? Elke keer kijken per kind hoe het met de ontwikkeling is gesteld. Dan zou het ook zomaar zo kunnen zijn dat een kind juist vanaf 6 jaar pas aan onderwijs toe is. Elke keer als dit soort uitspraken wordt gedaan, zegt men in principe dat er niet naar het kind wordt geluisterd! Want niet alle kinderen hebben dezelfde ontwikkeling, situatie of behoefte. Marieke Hopman zet dus niet het kind centraal, maar de uitslag van haar onderzoek.

 

Expertiseteam presentatie

Verder wordt in de presentatie nog gesproken over consequenties voor ouders die hun hun kind onterecht thuis houden (onderwijs onthouden).

Als moeder die anderhalf jaar moest SCHREEUWEN namens haar stille kind om onderwijs, bijna zonder gehoor is dat wrang. Wanneer wordt echt eens gesproken over de consequenties voor scholen die kinderen onterecht afwijzen, uitschrijven of de toegang ontzeggen ondanks de zorgplicht? In het onderzoek wordt dit gelukkig aangehaald door Hopman en hopelijk wordt dat advies opgevolgd. Kinderen kunnen zich niet aanpassen aan een maatschappij als zij door die zelfde maatschappij verstoten worden.

Ouders zouden juist graag afstemming hebben met professionals en gezamenlijk zoeken naar oplossingen waarbij bureaucratie niet in de weg staat. Waar creativiteit en ‘out of the box’ denken mogelijk is.

Wellicht is het een idee om een onderzoek te doen onder de thuiszitters en hun ouders waaruit blijkt hoe zij strijden voor dat recht op onderwijs. Wat zij meemaken. Met hoeveel en welke instanties. Hoe lang dit allemaal duurt en wat de overheid voor hen betekend heeft bij die strijd voor dat recht. Hoe is de positie van ouders? Wat is nu eigenlijk de werkelijke invloed van ouders als zij onderwijs voor hun kind wensen, op welke plek dan ook. En meer!

Dan nog wil ik toch wel duidelijk maken dat mijn thuiszitter wel degelijk deel uitmaakt van de maatschappij. Het is niet eerlijk te zeggen dat dat niet zo is. Zij telt mee!

Ik bedankt Marieke Hopman voor het onderzoek. Het doet stof opwaaien en besef dat er nog steeds niet begrepen wordt hoe het is als een kind op een school niet (meer) terecht kan.

Het rapport van Marieke Hopman kan hier worden gelezen

 

2 Comments

  1. Dag Janine, het klopt dat de situaties bij “uitval” in wat voor systeem dan ook zeer uiteen lopen. Dat komt omdat het systeem is ontworpen met 100% in het achterhoofd, maar in de praktijk eerder de 95% haalt. Die andere 1-5% is “niet aan gedacht”, zit niet in het “model”, past niet in het regelstelsel. Dat laatste woord is belangrijk: stelsel van regels, daar zin besloten dat het geregeld moet worden. In de praktijk valt dat anders uit.

    Wetenschappelijk gezien is het “valt er buiten” probleem te kenmerken als taai of naargeestig (wicked, ook wel foutief complex genoemd). Bekend is dat voor het oplossen van zulke problemen een aantal voorwaarden geldt, waaronder het includeren van vele perspectieven. In dit geval dus ook het kind.

    Er zijn al diverse pogingen gedaan om de diversiteit in beeld te krijgen. Door de ombudsman en zelfs door ondergetekende, samen met o.a. Auke van Breemen in de tijd van de voorganger van Ouderkracht (KOESCH). Dat heette “De Dunne Lijn” en ging over de dunne lijn die er is tussen onderwijs en geen onderwijs krijgen.

    Het klopt wat je zegt: het kind wordt zelden gehoord. Dat is niet goed en moet echt anders. Echter in een aantal gevallen zou het niet helpen omdat de ouders de boel saboteren of simpelweg niet bij machte zijn te begrijpen wat helpt en wat tegenwerkt.

    Tenslotte, het is vast niet bewust, maar wel veelzeggend dat het onderzoek van Hopman wel naar het onderzoek van de ombudsman verwijst, maar niet naar De Dunne Lijn terwijl daarbij toch ook ruim 80 ouders betrokken waren.

    Zo inefficiënt werkt het kennelijk. Wat kunnen we daaraan doen?

Submit a Comment